Home » Publicaties

Category Archives: Publicaties

Het certificaat van aandeel in de BV

Mijn bijdrage Het certificaat van aandeel in de BV is in het WPNR 2016 (7093) verschenen. Met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV­-recht (‘Wet Flex­-BV’) kent het BV­-recht een herziene regeling voor certificaten van aandelen. Met name komt deze herziene regeling tot uitdrukking in art. 2:227 lid 2 BW. Dit artikellid bepaalt dat de statuten van een BV aan certificaten vergaderrecht kunnen verbinden. Het vergaderrecht is voor de rechtspraktijk een element om certificering van aandelen in een BV te structureren. Naast het vergaderrecht zijn er ook andere punten die na invoering van de Wet Flex­BV bij een dergelijke structurering aandacht behoeven. In deze bijdrage wijd ik daaraan enkele beschouwingen. Allereerst sta ik stil bij de vraag wat certificering is (paragraaf 2). Daarna ga ik in op het verbinden en intrekken van vergaderrecht aan certificaten (paragraaf 3) en de voorwaardelijke toekenning van vergaderrecht aan certificaten (paragraaf 4). Vervolgens bespreek ik het overgangsrecht en het wettelijk pandrecht ex art. 3:259 BW (paragraaf 5), het recht van enquête (paragraaf 6), het recht op uitkering (paragraaf 7), rekening en verantwoording (paragraaf 8), statutaire verplichtingen (paragraaf 9), de wijziging van de administratievoorwaarden (paragraaf 10) en het verbod tot certificering (paragraaf 11). Ik sluit af met een conclusie (paragraaf 12).

Het blijkt dat de rechtsfiguur van certificering van aandelen een lenige rechtsfiguur is (gebleven). De huidige regelgeving geeft echter ook, op het eerste gezicht onvermoede, aandachtspunten voor de rechtspraktijk bij certificering.

certificaat van aandeel

Young Corporate Lawyers 2015

Recent is bij Uitgeverij Paris verschenen de bundel Young Corporate Lawyers 2015 verschenen. Ik heb als (eind)redactielid wederom aan de totstandkoming van deze uitgave mogen meewerken. Vanuit het Institute for Corporate Law, Governance and Innovation Policies (ICGI), dat verbonden is aan de juridische faculteit van de Universiteit Maastricht, is een aantal van die programma’s ontwikkeld, resulterend in de bundel Young Corporate Lawyers 2013 en 2014, nu gevolgd door deze 2015-bundel.

In deze bundel zijn zeven artikelen opgenomen die verschillende ondernemingsrechtelijke thema’s behandelen. Sommigen artikelen zijn Europees of internationaalrechtelijk georiënteerd, terwijl andere zijn gelegen in het hart van het nationale ondernemingsrecht. In een aantal artikelen wordt het ondernemingsrecht gecombineerd met het insolventierecht. Deze opstellen zijn zowel voor de wetenschapper als voor de praktijkjurist van groot belang.

Young Corporate Lawyers 2015 is het derde deel van de ICGI-reeks. Vanuit het Institute for Corporate Law, Governance and Innovation Policies (ICGI), dat verbonden is aan de juridische faculteit van de Universiteit Maastricht, is een programma ontwikkeld, resulterend in de bundel Young Corporate Lawyers 2013 en 2014, nu gevolgd door deze 2015-bundel. Actuele ondernemingsrechtelijke onderwerpen worden op aantrekkelijke wijze gepresenteerd door een selecte groep studenten, begeleid door wetenschappers en praktijkjuristen en door een kritische redactie geselecteerd. Dit heeft geleid tot een zeer lezenswaardige bundel met opstellen die zowel voor wetenschappers als praktizijns geschreven zijn.

Klik hier om te bestellen!

Young Corporate Lawyers 2015

Terzijdestelling statutaire blokkeringsregeling

 

Johnny Loco

De Rechtbank Amsterdam wijst in haar beschikking van 13 november 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:7725) een verzoek tot terzijdestelling van een statutaire blokkeringsregeling toe. Na de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 16 oktober 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:5217, JIN 2013/201, m.nt. R.A. Wolf) is dit, voor zover bekend, sinds de invoering van het nieuwe BV-recht  (meer…)

Loyaliteitsaandelen? Geen extra stemrecht voor langetermijnbeleggers

In het FD van 13 maart 2015 betoog ik dat de introductie van loyaliteitsaandelen, waarbij extra stemrecht aan lange termijn beleggers wordt toegekend, geen goed idee is. De invoering van een loyaliteitsaandeel is wettelijk mogelijk, mits het beginsel van gelijkheid van aandeelhouders in acht wordt genomen. Het is echter niet gezegd dat loyaliteitszeggenschap ook daadwerkelijk tot een lange termijn visie van aandeelhouders zal leiden. Bovendien zijn er aan dergelijke aandelen belangrijke nadelen verbonden. Lees hier mijn opinie in het FD over loyaliteitsaandelen, meer in het bijzonder loyaliteitzeggenschap, bij de voorgenomen beursintroductie van ABN Amro.

ABN Amro

Aansprakelijkheid bestuurders vereniging

In aflevering 2 van 2015 van Jurisprudentie in Nederland (JIN) is mijn noot verschenen onder het arrest van het Hof Amsterdam van 30 september 2014 over de aansprakelijkheid van bestuurders van een vereniging. Het ging om een vereniging die door middel van een notariële akte was opgericht. Ook wel een formele vereniging genoemd. De vereniging was een geldleningsovereenkomst aangegaan, waarvoor de bestuurders van de vereniging zich jegens de geldgever hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld. De vereniging komt haar verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst niet na. De geldgever spreekt daarop de bestuurders van de vereniging aan. De bestuurders verweren zich door te stellen dat hun echtgenotes op grond van art. 1:88 BW toestemming voor de hoofdelijke aansprakelijkheid hadden moeten geven. Omdat deze toestemming van de echtgenotes ontbreekt, zijn zij niet aansprakelijk, zo stellen de bestuurders. De geldgever beroept zich vervolgens op art. 2:30 BW. Dat artikel ziet echter op de aansprakelijkheid van bestuurders van een informele vereniging en is in dit geval dus niet van toepassing.

De geldgever had een beroep moeten doen op art. 2:29 BW. Dat artikel schept een grond voor bestuurdersaansprakelijkheid jegens derden van bestuurders van een vereniging. De bestuurders van de formele vereniging moeten haar inschrijven in het handelsregister en daar een authentiek afschrift van de notariële akte neerleggen (art. 2:29 lid 1 BW). Deze verplichting rust op iedere bestuurder afzonderlijk (art. 18 Hregw 2007). Zolang de opgave ter eerste inschrijving en nederlegging niet zijn geschied, is iedere bestuurder voor een rechtshandeling waardoor hij de vereniging verbindt, naast de vereniging hoofdelijk aansprakelijk, zo bepaalt art. 2:29 lid 2 BW. Het is overigens niet zo dat na de inschrijving en de nederlegging de hoofdelijke aansprakelijkheid zou eindigen. Het zou wat makkelijk zijn om op deze wijze onder de reeds gevestigde aansprakelijkheid uit te komen.

Zie ook dit bericht op Recht.nl.

Zie ook dit blog.

aansprakelijkheid bestuurders vereniging, JIN

Administratieplicht van art. 2:10 BW en bestuurdersaansprakelijkheid

In aflevering 10 van 2014 van Jurisprudentie in Nederland (JIN) is mijn noot verschenen onder het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 over de administratieplicht in de zin van art. 2:10 BW, die op een bestuurder van een vennootschap rust en zijn (eventuele) aansprakelijkheid in dat kader. De Hoge Raad refereert in dit arrest aan de maatstaf van het Brens q.q./Sarper-arrest. In dat laatste arrest stond ook de administratieplicht centraal. In het arrest van oktober 2014 overweegt de Hoge Raad dat voor het antwoord op de vraag of de boekhouding voldoet aan de daaraan te stellen eisen ook andere elementen van belang kunnen zijn dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten. De administratieplicht is dus breder. Waardering van activa en passiva ziet hierop echter in beginsel niet.

aansprakelijkheid bestuurders vereniging, JIN

 

Participatiebewijs: vernietiging van besluiten

In deze uitspraak van het hof Amsterdam was  de vraag aan de orde of de houder van een winstcertificaat uitgegeven door een stichting tot de kring van betrokkenen behoort, niet alleen bij de stichting, maar ook bij de onderliggende BV.

Indien de houder van een winstcertificaat tot die kring behoort, kan hij opkomen tegen (bijvoorbeeld) een voor hem nadelig besluit tot vaststelling van de jaarrekening van de vennootschap.

Wat is een ‘winstcertificaat’? Dit is geen certificaat uitgegeven op een onderliggend aandeel; het lijkt veel meer op een participatiebewijs. Een participatiebewijs houdt in dat op grond van een contractuele verhouding tussen de houder van het bewijs en de vennootschap tegen inbreng een recht op winst van de vennootschap wordt verkregen. In de literatuur is de heersende opvatting dat de houder van een participatiebewijs tot de kring van betrokkenen bij de vennootschap behoort.

De vraag is echter of dit ook het geval is, indien niet de vennootschap zelf, maar een bovenliggende stichting (die alle aandelen in de BV houdt) de winstcertificaten heeft uitgegeven. Kan in dat geval de houder van een winstcertificaat opkomen tegen  een voor hem nadelig besluit, ondanks dat hij geen directe contractuele verhouding met de vennootschap heeft?

In dit geval oordeelde het hof dat de houder van een winstcertificaat uitgegeven door een stichting tot de kring van betrokkenen behoort, niet alleen bij de stichting, maar ook bij de onderliggende BV. Het hof hecht terecht waarde aan de grote mate van verwevenheid tussen de stichting en de vennootschap. Zo hield de stichting alle aandelen in de BV en was de hoogte van de leningen die verstrekt werden aan de stichting (als inbreng voor de winstcertificaten) afhankelijk  van het arbeidsverleden van de houder van het winstcertificaat bij de vennootschap. Daarnaast was de vennootschap partij bij een tussen de houder van het winstcertificaat en de stichting gesloten vaststellingsovereenkomst, zodat een directe contractuele verhouding tussen de vennootschap en de houder van het winstcertificaat ontstond. De houder van een winstcertificaat van de stichting kon ook daarom vernietiging van besluiten van de vennootschap vorderen.

Een uitgebreide bespreking van deze uitspraak en ook van de uitspraak van de rechtbank (klik hier voor de vindplaats) die aan deze uitspraak voorafging is te vinden in mijn noot in Jurisprudentie in Nederland (JIN) (december 2014, aflevering 10, nr. 216).

participatiebewijs

Young Corporate Lawyers 2014

Recent is bij Uitgeverij Paris verschenen de bundel Young Corporate Lawyers 2014 verschenen. Ik heb als (eind)redactielid aan de totstandkoming van deze uitgave mogen meewerken. Vanuit het Institute for Corporate Law, Governance and Innovation Policies (ICGI), dat verbonden is aan de juridische faculteit van de Universiteit Maastricht, is een aantal van die programma’s ontwikkeld, resulterend in de bundel Young Corporate Lawyers 2013, thans gevolgd door deze 2014­ bundel.

In deze bundel zijn elf artikelen opgenomen die verschillende ondernemingsrechtelijke thema’s behandelen. Sommige artikelen zijn Europees of internationaalrechtelijk georiënteerd, terwijl andere artikelen zijn gelegen in het hart van het nationale ondernemingsrecht. In een aantal artikelen wordt het ondernemingsrecht gecombineerd met het insolventierecht en corporate governance. Deze opstellen zijn zowel voor de wetenschapper als voor de praktijkjurist van groot belang. Young Corporate Lawyers 2014 is het tweede deel van de ICGI-reeks. Vanuit het Institute for Corporate Law, Governance and Innovation Policies (ICGI), dat verbonden is aan de juridische faculteit van de Universiteit Maastricht, is een programma ontwikkeld, resulterend in de bundel Young Corporate Lawyers 2013, thans gevolgd door deze 2014-bundel. Actuele ondernemingsrechtelijke onderwerpen worden op aantrekkelijke wijze gepresenteerd door een selecte groep studenten, begeleid door wetenschappers en praktijkjuristen en door een kritische redactie geselecteerd. Dit heeft geleid tot een zeer lezenswaardige bundel met opstellen die zowel voor wetenschappers als praktizijns geschreven zijn.

Klik hier voor de inhoudsopgave.

Young Corporate Lawyers 2014

Greenchoice: tweede fase-beschikking OK

In aflevering 7 van 2014 van Jurisprudentie in Nederland (JIN) is mijn noot verschenen onder de beschikking van de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam van 9 juli 2014, waarbij in de tweede fase van de enquêteprocedure – terecht – wanbeleid bij Greenchoice is vastgesteld.

Greenchoice

Stock dividend en het goedkeurende bestuursbesluit tot uitkering: noodzakelijk?

In TvOB 2014-4 is mijn bijdrage verschenen over stock dividend, bonusaandelen en het goedkeurende bestuursbesluit van art. 2:216 lid 2 BW. Is dat een noodzakelijke combinatie? Ik betoog dat het zowel vanuit juridisch als praktisch oogpunt aan te bevelen is dat art. 2:216 lid 11 BW gewijzigd wordt, in die zin dat het goedkeurende bestuursbesluit van art. 2:216 lid 2 BW niet van toepassing is op uitkeringen in de vorm van aandelen in het kapitaal van de vennootschap (zoals stock dividend).

Over Rogier Wolf

Rogier Wolf Rogier Wolf is advocaat en universitair docent ondernemingsrecht. Tot zijn expertise behoren de flex-bv en kapitaalparticipatie zonder stemrecht in de bv. Rogier adviseert onder andere over stemrechtloze aandelen, certificering van aandelen en participatiebewijzen. Hij is een veelgevraagd docent en spreker en publiceert zeer regelmatig over het ondernemingsrecht. Contact?
Rogier Wolf op Google Scholar
google scholar