Is tijdig ingesteld cassatieberoep tegen door de Ondernemingskamer getroffen voorzieningen niet-ontvankelijk op de grond dat de enquêteprocedure nadien onherroepelijk is geëindigd?

De Hoge Raad gaf in zijn arrest van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1593) antwoord op deze vraag. Ik schreef voor de rubriek Ondernemingsrecht van Jurisprudentie in Nederland (JIN) een noot onder deze uitspraak.

Klik hier om de noot te lezen.

De zaak ging om het volgende. Met een beroep op de e-Traction-beschikking van de Hoge Raad hebben [verweerders 2 en 3] aangevoerd dat JKS c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep op de grond – kort gezegd – dat de enquêteprocedure inmiddels onherroepelijk is geëindigd doordat de in r.o. 2.4 bedoelde beschikking van de Ondernemingskamer in kracht van gewijsde is gegaan. Nu de enquêteprocedure is geëindigd, is er geen plaats meer voor een beslissing in cassatie over de in r.o. 2.3 bedoelde beschikking, aldus [verweerders 2 en 3]. Dit beroep op niet-ontvankelijkheid faalt. De Hoge Raad heeft in de e-Traction-beschikking (r.o. 4.1.5) beslist dat na het eindigen van de enquêteprocedure geen plaats meer is voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2 BW, dan wel (al dan niet tijdelijke) voorzieningen als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW in verbinding met art. 2:356 BW. Uit die beschikking volgt niet dat het eindigen van de enquêteprocedure meebrengt dat een partij niet-ontvankelijk is in haar tijdig ingestelde cassatieberoep van een beschikking die de Ondernemingskamer in de loop van de enquêteprocedure heeft gegeven. Ook na het eindigen van de enquêteprocedure kan in cassatie worden onderzocht of een gedurende de enquêteprocedure gegeven beschikking van de Ondernemingskamer moet worden vernietigd op de in art. 79 RO bedoelde gronden, mits tegen die beschikking tijdig en op de juiste wijze cassatieberoep is ingesteld. In dat verband is niet van belang of de Ondernemingskamer in haar beschikking al dan niet een voorziening heeft getroffen die een blijvend gevolg heeft.

Terbeschikkingstelling van gelden door certificaathouder: kapitaalstorting of geldlening

Het Hof Arnhem-Leeuwarden deed op 25 februari 2020 uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2020:1628) een kwestie waarin de vraag centraal stond of de terbeschikkingstelling van gelden door een houder van certificaten van aandelen gezien kan worden als een kapitaalstorting in de vennootschap of een geldlening aan de vennootschap. Het hof oordeelde dat uit gedragingen van de betrokkenen volgt dat sprake is van een in rekening-courant geboekte lening. Het arrest van het hof is het hoger beroep van de uitspraak in eerste instantie van de Rechtbank Gelderland van 20 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3299.

Onder deze uitspraak schreef ik een annotatie in JOR 2020/196. Klik hier om mijn noot te lezen.

Wettelijk pandrecht bij certificering van aandelen zonder vergaderrecht in de BV: ongewenst en onmogelijk. Een reactie.

In WPNR 2019/7261 gaat Laurens Kelterman in op de vraag of het (nog steeds) mogelijk is dat op grond van art. 3:259 BW een wettelijk pandrecht op aandelen ontstaat wanneer de BV de medewerking verleent aan de uitgifte van certificaten, ook als er geen vergaderrecht in de zin van art. 2:227 BW aan de certificaten verbonden is. Hij concludeert dat dit ongewenst, maar wel mogelijk is. Met Laurens Kelterman ben ik eens dat – als het mogelijk is – het ongewenst is. Ik verschil met hem van mening dat het mogelijk is. Ik licht dat toe in WPNR 2020/7274.

Kort en goed: alleen de houder van certificaten met vergaderrecht komt het wettelijke pandrecht ex art. 3:259 lid 2 BW toe. Dat recht ontstaat pas als bij de statuten aan certificaten vergaderrecht is toegekend. Anders dan Kelterman, zie ik gelet op de parlementaire geschiedenis geen noodzaak tot aanpassing van art. 3:259 lid 2 BW. Een andere uitleg van dat artikel is niet alleen ongewenst, maar is bovendien onmogelijk.

Lees hier mijn reactie in het WPNR 2020/7274

Decertificering van aandelen

Precies een jaar na de uitspraak van het Hof Amsterdam van 24 juli 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:2640, JOR 2018/270, m.nt. R.A. Wolf), waarin een vordering tot decertificering centraal stond, oordeelt de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht (ECLI:NL:RBLIM:2019:6873) over dezelfde materie. Ook ditmaal is het een afwijzing van die vordering.

Ik schreef voor Jurisprudentie in Nederland, rubriek Ondernemingsrecht een noot onder deze uitspraak. Klik hier om mijn noot te lezen.

De wellicht meest bekende uitspraak over decertificering is het Kluft/Distrifood-arrest (Hof Amsterdam 29 januari 1995, KG 1995, 192). In die kwestie werd een vordering tot decertificering in kort geding toegewezen, onder meer omdat (i) alle certificaten in één hand terechtgekomen waren en (ii) de eigenlijke ratio aan de certificering was komen te ontvallen. In dat arrest ging het, anders dan in deze casus, om niet-royeerbare certificaten.

Houder van niet-bewilligde certificaten van aandelen behoort niet tot de kring van betrokkenen ex art. 2:8 BW

Op 1 oktober 2019 deed het Hof Den Haag een uitspraak (ECLI:NL:GHDHA:2019:2536) in een kwestie, waarbij onder meer centraal stond of de houder van niet-bewilligde certificaten van aandelen behoort tot de kring van betrokkenen ex art. 2:8 BW. Het hof oordeelde in dat geval dat dit niet zo is. Ik schreef een annotatie onder dat arrest in JOR 2020/4 (Jurisprudentie Onderneming & Recht). Klik hier om de noot te lezen.

Zie ook mijn bijdrage in JBN 2020/9, p. 4-6 over deze uitspraak.

DGA verkoopt zijn aandelen aan een derde kort voor faillissement. Aansprakelijkheid jegens schuldeisers van de vennootschap

Niet zelden vist een crediteur die een vordering op een vennootschap heeft achter het net. Daarvoor kunnen talloze oorzaken zijn. In lagere rechtspraak gaat het met enige regelmaat om een situatie waarin een enig aandeelhouder en bestuurder (‘DGA’) van een bv zijn aandelen in het kapitaal van die vennootschap aan een derde overdraagt. Kort daarna gaat de vennootschap failliet. De crediteur blijft vervolgens onbetaald achter en heeft in de regel slechts een concurrente vordering op de boedel. Veelal is sprake van (een vorm van) faillissementsfraude, die de samenleving veel geld kost.
De vraag is of in deze gevallen sprake is van een onrechtmatige aandelenoverdracht. Zo ja, is de DGA aansprakelijk voor de schade die de crediteur als gevolg van deze onrechtmatige daad lijdt? Is in dat geval sprake is van bestuurders- of van aandeelhoudersaansprakelijkheid?

Ik schreef daarover eerder in mijn bijdrage in de Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2016-2017.

Op 1 oktober 2019 wees het Hof Den Haag een arrest over dit onderwerp (ECLI:NL:GHDHA:2019:2947). Ook hier ging het om een DGA die zijn aandelen verkoopt aan een derde kort voor het faillissement van zijn vennootschap. In dit geval achtte het hof de DGA niet aansprakelijk jegens de schuldeisers van de vennootschap. Ik schreef onder die uitspraak een annotatie voor de rubriek Ondernemingsrecht van Jurisprudentie in Nederland (JIN). Klik hier om die noot te lezen.

Aandeelhoudersovereenkomsten: drag along & tag along

Aandeelhoudersovereenkomsten: drag along & tag along from Academie voor de Rechtspraktijk on Vimeo.

Dit is het vijfde en laatste deel van het vijfluik over aandeelhoudersovereenkomsten in samenwerking met de Academie voor de Rechtspraktijk en avdrlegalflix.nl. In dit deel gaat staat drag along- en tag along-bepalingen centraal. Wat zijn dat? Waarom en in welke situaties is het verstandig deze bepalingen in een aandeelhoudersovereenkomst op te nemen? Hoe verhouden drag along- en tag along-bepalingen zich tot een statutaire aanbiedingsregeling? Rogier Wolf geeft antwoord.

Aandeelhoudersovereenkomsten: informatieverschaffing

Aandeelhoudersovereenkomsten: informatieverschaffing from Academie voor de Rechtspraktijk on Vimeo.

Dit is het vierde deel van het vijfluik over aandeelhoudersovereenkomsten in samenwerking met de Academie voor de Rechtspraktijk en avdrlegalflix.nl. In dit deel ga ik in op informatieverschaffing door de vennootschap aan aandeelhouders. Het bestuur gaat over de dagelijkse gang van zaken en in beginsel wordt alleen informatie aan de aandeelhouders tijdens de algemene vergadering verstrekt. Als een aandeelhouder niet ook bestuurder van de BV is, bestaat tussen het bestuur en de aandeelhouders vaak een informatieasymmetrie. Op welke wijze kan in een aandeelhoudersovereenkomst deze informatieasymmetrie worden opgelost?

Aandeelhoudersovereenkomsten: bestuur (benoeming, ontslag, besluitvorming en vertegenwoordiging)

Aandeelhoudersovereenkomsten: bestuur (benoeming, ontslag, besluitvorming en vertegenwoordiging) from Academie voor de Rechtspraktijk on Vimeo.

Dit is het derde deel van het vijfluik over aandeelhoudersovereenkomsten in samenwerking met de Academie voor de Rechtspraktijk en avdrlegalflix.nl. In dit deel ga ik in op het bestuur van de BV. Welke afspraken kunnen daarover in een aandeelhoudersovereenkomst worden gemaakt? Ik besteed aandacht aan de benoeming, schorsing en ontslag van het bestuur en de rol van de algemene vergadering in dat kader. Ook komen besluitvorming van het bestuur en vertegenwoordiging door het bestuur aan de orde.

Aandeelhoudersovereenkomsten: doorwerking in de vennootschapsrechtelijke orde

Aandeelhoudersovereenkomsten: doorwerking in de vennootschapsrechtelijke orde from Academie voor de Rechtspraktijk on Vimeo.

Dit is het tweede deel van het vijfluik over aandeelhoudersovereenkomsten in samenwerking met de Academie voor de Rechtspraktijk en avdrlegalflix.nl. In dit deel ga ik in op het leerstuk van doorwerking. Hebben afspraken in een aandeelhoudersovereenkomst invloed op de vennootschapsrechtelijke orde? Welke gevolgen heeft de niet-naleving van die afspraken voor de rechtsgeldigheid van de besluitvorming in de BV? Wat is de rol en invloed van de open normen van de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid en het vennootschappelijk belang in dit kader? Aan de hand van de Kekk/Delfino-uitspraak ga ik op deze problematiek in.

Over Rogier Wolf

Rogier Wolf is advocaat en universitair docent ondernemingsrecht. Tot zijn expertise behoren de flex-bv en kapitaalparticipatie zonder stemrecht in de bv. Rogier adviseert onder andere over stemrechtloze aandelen, certificering van aandelen en participatiebewijzen. Hij is een veelgevraagd docent en spreker en publiceert zeer regelmatig over het ondernemingsrecht. Contact?