Overnameperikelen: Elliott International, L.P. c.s., AkzoNobel en PPG Industries. Een analyse

In mijn bijdrage in het Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur staan centraal de ongevraagde voorstellen van PPG Industries, Inc. tot overname van de gewone aandelen aan het bestuur van AkzoNobel en de procedures die door het activistische hedge fund Elliott International, L.P. in dat kader zijn aangespannen. AkzoNobel heeft die voorstellen afgewezen. Zij vond dat die voorstellen niet in het belang van AkzoNobel en haar stakeholders waren. Elliott International, L.P. en een aantal aandeelhouders zijn het met de opstelling van en de gang van zaken binnen AkzoNobel niet eens. Zij hebben bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam een verzoek ingediend tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen en het instellen van een enquête. Op 29 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer bij beschikking (ECLI:NL:GHAMS:2017:1965) de verzochte onmiddellijke voorzieningen afgewezen. Vervolgens heeft Elliott International, L.P. c.s. een verzoek tot het bijeenroepen van een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders met als enig agendapunt het ontslag van president-commissaris Burgmans bij de voorzieningenrechter ingediend. Op 10 augustus 2017 wees de voorzieningenrechter bij beschikking (ECLI:NL:RBAMS:2017:5845) dat verzoek af.

Ik bespreek in mijn bijdrage in TvOB beide beschikkingen, plaats daarbij kanttekeningen en ga ook in op de actualiteiten rond AkzoNobel (waaronder de stand still-overeenkomst met Elliott International, L.P.) en het voorstel tot een wettelijke bedenktijd. Klik hier om te lezen.

 

AkzoNobel, Elliott en PPG: uitspraak van de Ondernemingskamer

Op 29 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer (OK) uitspraak gedaan in de overnameperikelen van AkzoNobel. Het Amerikaanse, en branchegenoot, PPG Industries heeft drie informele biedingen op de aandelen AkzoNobel gedaan. AkzoNobel heeft PPG telkens de deur gewezen. In de media, waaronder het FD, is en wordt deze overnamestrijd breed uitgemeten.

Een aantal aandeelhouders, met Elliott Advisors (Elliott) voorop, is het met deze afwijzende houding niet eens. Elliott heeft op 9 mei 2017 bij de OK een enquêteprocedure aanhangig gemaakt. Zij verzoekt de OK als onmiddellijke voorziening AkzoNobel te gebieden een Buitengewone Algemene Vergadering van Aandeelhouders (BAVA) uit te schrijven met als enige agendapunt het ontslag van president-commissaris Anthony Burgmans. Elliott ziet Burgmans als de persoon die de afwijzende houding van AkzoNobel tegen PPG belichaamt. Andere aandeelhouder hebben zich aangesloten bij het verzoek van Elliott of net wat andere onmiddellijke voorzieningen verzocht. Daarnaast heeft Elliott de OK verzocht een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken bij AkzoNobel rond de afwijzing van de voorstellen van PPG.

Op de zitting van 22 mei 2017 heeft de OK uitsluitend het verzoek van de onmiddellijke voorzieningen behandeld. Bij beschikking van 29 mei 2017 heeft de OK de onmiddellijke voorzieningen afgewezen. Kort samengevat, komt de uitspraak erop neer dat de Raad van Bestuur (RvB) en de Raad van Commissarissen (RvC) van AkzoNobel op zorgvuldige wijze de voorstellen van PPG hebben afgewezen. Dat geldt ook voor de afwijzing van het verzoek van een aantal aandeelhouders om een BAVA over het ontslag van de president-commissaris Burgmans. De handelwijze van AkzoNobel is in overeenstemming met Nederlandse recht en de Nederlandse Corporate Governance Code (NCGC). Wel geeft de OK AkzoNobel mee dat het aan AkzoNobel is om zich te beraden over de mate waarin en de wijze waarop zij aan haar aandeelhouders verantwoording aflegt en over hoe zij tegemoet kan komen aan de onder een aantal van haar aandeelhouders levende behoefte aan tekst en uitleg over de afwijzing van de voorstellen van PPG.

Commentaar op de OK-beschikking

In mijn noot in de rubriek Ondernemingsrecht van Jurisprudentie in Nederland (JIN 2017/116) ga ik uitvoerig op de uitspraak van de OK in. Mijn noot is hier te lezen. Op deze plaats beperk ik mij tot twee opmerkingen:

  1. in aanvulling op de ABN AMRO- en de ASMI-beschikkingen geeft deze beschikking nieuwe ijkpunten voor de corporate governance bij vijandige overnamebiedingen: (i) de positiebepaling van een doelvennootschap in reactie op voorstellen van een potentiële bieder behoort tot het bepalen van de strategie van de doelvennootschap, (ii) er bestaat geen algemene rechtsregel die een doelvennootschap ertoe verplicht inhoudelijke besprekingen of onderhandelingen te voeren met een serieuze potentiële bieder die ongevraagd een serieus overnamevoorstel doet. Of inhoudelijke besprekingen of onderhandelingen geboden zijn, hangt af van de omstandigheden van het concrete geval, (iii) het bestuur van een doelvennootschap dient zich ook bij de beoordeling van voorstellen van een potentiële bieder, onder toezicht van de RvC, te richten op – in de termen van de NCGC – de lange termijn waardecreatie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en daartoe de in aanmerking komende belangen van de stakeholders te wegen, en (iv) het feit dat een besluit van de doelvennootschap om een bod niet te steunen niet strookt met de wil van (een meerderheid van) de aandeelhouders, betekent niet zonder meer dat de doelvennootschap in redelijkheid niet tot dat besluit heeft kunnen komen.
  2. een andere observatie is dat de OK kiest voor het Rijnlandse of stakeholdersmodel ter invulling van het vennootschappelijk belang, daarbij aanhakend bij principe 1.1 van de NCGC. Het bestuur is verantwoordelijk voor de continuïteit van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en formuleert daarbij een passende strategie. Het bestuur richt zich op de lange termijn waardecreatie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en weegt daartoe de in aanmerking komende belangen van de stakeholders. De RvC houdt toezicht op het bestuur ter zake. Het Anglo-Amerikaanse of shareholdersmodel, waarin maximaal rendement voor de aandeelhouder meer centraal staat, wordt door de OK afgewezen.

Het spel is nog steeds op de wagen

Met deze uitspraak is de kous nog niet af. Ten eerste, omdat deze beschikking een uiteindelijke overname niet belemmert. Ten tweede, omdat de OK op 20 september 2017 het aangehouden verzoek van Elliott tot het gelasten van een onderzoek naar de gang van zaken bij AkzoNobel rond de afwijzing van de voorstellen van PPG zal behandelen. De ontwikkelingen na 29 mei 2017 zal de OK bij de behandeling betrekken. En dus is het spel nog steeds op de wagen.

Wisseling CEO bij AkzoNobel

Intussen is Ton Büchner op 19 juli 2017 als CEO van AkzoNobel afgetreden en is Thierry Vanlancker benoemd tot CEO. Hij moet echter nog door de aandeelhouders worden benoemd tot voorzitter van de RvB van AkzoNobel.

BAVA AkzoNobel 8 september 2017

AkzoNobel heeft op 25 juli 2017 een BAVA uitgeschreven. Zie deze oproep. Er zijn twee agendapunten:

  1. benoeming van Vanlancker als lid van de RvB (stempunt), en
  2. nadere uitleg en discussie betreffende AkzoNobel’s reactie op de ongevraagde en niet-bindende voorstellen van PPG in maart en april 2017 (discussiepunt).

Met het eerste punt beoogt AkzoNobel de benoeming van Vanlancker, kort gezegd, te formaliseren. Met het tweede punt beoogt AkzoNobel uitvoering te geven aan de aanwijzing die zij van de OK heeft meegekregen om de relatie met haar aandeelhouders te verbeteren en tekst en uitleg te geven over haar reactie op de voorstellen van PPG en te horen wat haar aandeelhouders daarvan vinden.

De BAVA vindt op 8 september 2017 plaats. Met het oog op de behandeling van het aangehouden enquêteverzoek door de OK op 20 september 2017 is dat een goede timing van AkzoNobel.

Nieuwe procedure door Elliott: zelf een BAVA uitroepen met als agendapunt ontslag Burgmans

Voor de BAVA van 8 september 2017 kunnen door de aandeelhouders geen agendapunten meer worden aangedragen. De termijn daarvoor is 60 dagen voordat de BAVA plaats vindt. De BAVA is uitgeschreven op een termijn van 45 dagen. Ook daar is Elliott – inmiddels 9,5% aandeelhouder – niet blij mee. Zij heeft samen met York Capital Management – 0,58% aandeelhouder in AkzoNobel – daarom de rechter verzocht zelf een BAVA te mogen uitschrijven met als agendapunt het ontslag van president-commissaris Burgmans. De zitting vond plaats op 27 juli 2017. De uitspraak is op 10 augustus 2017.

Over overdracht van aandelen door de DGA, faillissement van de vennootschap en onbetaalde crediteuren

Niet zelden vist een crediteur die een vordering op een vennootschap heeft achter het net. Daarvoor kunnen talloze oorzaken zijn. In lagere rechtspraak gaat het met enige regelmaat om een situatie waarin een enig aandeelhouder en bestuurder (‘DGA’) van een bv zijn aandelen in het kapitaal van die vennootschap aan een derde overdraagt. Kort daarna gaat de vennootschap failliet. De crediteur blijft vervolgens onbetaald achter en heeft in de regel slechts een concurrente vordering op de boedel. Veelal is sprake van (een vorm van) faillissementsfraude, die de samenleving veel geld kost.
De vraag is of in deze gevallen sprake is van een onrechtmatige aandelenoverdracht. Zo ja, is de DGA aansprakelijk voor de schade die de crediteur als gevolg van deze onrechtmatige daad lijdt? Is in dat geval sprake is van bestuurders- of van aandeelhoudersaansprakelijkheid?

In mijn bijdrage in de Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2016-2017 bespreek ik voorbeelden uit de lagere rechtspraak. In die uitspraken wordt uitgegaan van bestuurdersaansprakelijkheid. De verkoop van aandelen in het kapitaal van een vennootschap is echter een ‘aandeelhoudersgedraging’. De aandeelhouder verricht de rechtshandeling tot het aangaan van een koopovereenkomst met een koper. Op grond van deze overeenkomst worden vervolgens de aandelen aan de koper geleverd. Gesteld kan worden dat de grondslag van aansprakelijkheid niet het handelen in hoedanigheid van bestuurder, maar het handelen ‘in hoedanigheid van aandeelhouder’ is.

In mijn bijdrage is de centrale vraag, wat de grondslag voor aansprakelijkheid is van een aandeelhouder jegens een crediteur van de vennootschap in het geval dat die crediteur zijn vordering door de vennootschap onbetaald ziet, nadat deze aandeelhouder zijn aandelen in het kapitaal van die vennootschap aan een derde heeft overgedragen? Anders gezegd, wat is de geschonden norm of zorgvuldigheidsverplichting bij overtreding of niet-nakoming waarvan sprake is van een onrechtmatige daad van de aandeelhouder jegens de crediteur? De vervolgvraag is welke feiten en omstandigheden deze zorgvuldigheidsverplichting nader vormgeven of inkleuren.

Zie voor de bijdrage: R.A. Wolf, ‘Over overdracht van aandelen door de DGA, faillissement van de vennootschap en onbetaalde crediteuren. Bestuurders- of aandeelhoudersaansprakelijkheid?’, in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2016-2017, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 141, Deventer: Kluwer 2017, p. 271-304.

Aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder en onrechtmatige daad

Op 17 februari 2017 heeft de Hoge Raad een arrest (ECLI:NL:HR:2017:275) gewezen over de vraag of art. 2:11 BW ook van toepassing is op aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder op grond van een onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en maakt daarmee een einde aan de discussie in de literatuur over deze vraag. Lagere rechtspraak tendeerde al naar dit bevestigende antwoord.

Art. 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

Dit arrest van de Hoge Raad is te verwelkomen. Het schept duidelijkheid. Dat art. 2:11 BW ook van toepassing is op bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW past dogmatisch bij de andere grondslagen van aansprakelijkheid die Boek 2 BW kent (waarbij de hoedanigheid van bestuurder centraal staat), ook wat betreft de mogelijkheid tot disculpatie. Terecht is de Hoge Raad niet meegegaan met de overweging van het hof dat voor het vestigen van aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW eerst sprake moet zijn van een persoonlijk ernstig verwijt aan het adres van de betreffende bestuurder.

In mijn noot in Jurisprudentie in Nederland (JIN) 2017/57 bespreek ik het arrest.

Rechtsverwerking & enquêterecht

Of rechtsverwerking ook toepassing vindt in het enquêterecht was nog niet beslist. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2574) deze vraag positief beantwoord. Ons hoogste rechtscollegevoegde daaraan toe dat enkel tijdsverloop onvoldoende is voor toepassing van rechtsverwerking. ‘Stilzitten’ kan alleen tot rechtsverwerking leiden, als op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (vgl. onder meer HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621 en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543, NJ 2013/317). Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid, aldus de Hoge Raad.

In het arrest van de Hoge Raad staat ook een aantal andere aspecten van het enquêterecht centraal, zoals de kapitaaleis in het kader van de enquêtebevoegdheid (art. 2:346 BW, vgl. HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:905, NJ 2014/296 (Slotervaartziekenhuis), de eisen die worden gesteld aan het schriftelijk uiten van bezwaren (art. 2:349 lid 1 BW), en of de vervaltermijn van een jaar voor het vernietigen van besluiten van een orgaan van de vennootschap van art. 2:15 lid 5 BW ook van toepassing is in een enquêteprocedure (antwoord: nee).

Het arrest en al deze aspecten bespreek ik in mijn noot in Jurisprudentie in Nederland (JIN).

Lees hier mijn noot rechtsverwerking, enquêterecht, Hoge Raad der Nederlanden

Certificering van aandelen in de BV en het (wettelijk) pandrecht

Bij certificering van aandelen in de BV speelt de al dan niet toekenning van vergaderrecht een rol. In mijn bijdrage in TvOB 2016-5 stel ik het certificaat van aandeel met flexibel vergaderrecht centraal. Ik bespreek de statutaire regeling waarbij aan het bestuur of een ander orgaan van de vennootschap de bevoegdheid is toegekend het vergaderrecht aan certificaten toe te kennen en te ontnemen. Ik draag oplossingen en handvatten aan om knelpunten in dit kader in de praktijk te verhelpen. Daarnaast stel ik de vraag aan de orde of het mogelijk is een certificaat van aandeel met vergaderrecht, maar zonder wettelijk pandrecht ex art. 3:259 BW, te creëren. En zo ja, of aan dit certificaat van aandeel desgewenst een gewoon pandrecht kan worden toegekend.

Lees hier het artikel.

tvob_2016-5_omslag

Notariële verklaring over kapitaalsvereiste in uitkoopprocedures: vereisten?

Aan welke eisen moet een notariële verklaring over het kapitaalsvereiste bij uitkoopprocedures voldoen? De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (OK) heeft in haar uitspraak van 2 augustus 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:3129) deze eisen nog eens uit de doeken gedaan. Het gaat in deze zaak om de uitkoopprocedure van Koninklijke Ten Cate N.V. na het openbare bod.

Tennessee Acquisition B.V. (‘Tennessee’) heeft een openbaar bod uitgebracht op Koninklijke Ten Cate N.V. (‘Ten Cate’). Tennessee heeft 98,01% van de aandelen onder het openbare bod verworven. De notering van Ten Cate is vervolgens beëindigd. Artikel 2:359c lid 1 BW bepaalt dat hij die een openbaar bod heeft uitgebracht en als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de doelvennootschap verschaft en ten minste 95% van de stemrechten van de doelvennootschap vertegenwoordigt, tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering kan instellen tot overdracht van hun aandelen aan hem. Deze uitkoopvordering is in deze kwestie tegen de gezamenlijke andere houders van aandelen in het kapitaal van Ten Cate ingesteld. Tegen gedaagden is verstek verleend. Bij verstek zal de rechter op grond van artikel 2:359c lid 5 BW ambtshalve moeten onderzoeken of de uitkoper voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de doelvennootschap verschaft en ten minste 95% van de stemrechten van de doelvennootschap vertegenwoordigt.

De OK verlangt in uitkoopprocedures in de regel, zo blijkt ook uit op haar website gepubliceerde wenken voor uitkoopprocedures, een verklaring van een notaris of een registeraccountant inhoudende dat uit door hem verricht onderzoek blijkt dat de uitkoper voldoet aan het kapitaalsvereiste (en voor zover van toepassing het stemrechtsvereiste) van artikel 2:92a/201a/359c lid 1 BW. Uit deze verklaring moet blijken in hoeverre de gebruikte informatie is gecontroleerd en op welke wijze de opsteller van de verklaring tot zijn conclusie is gekomen. De crux ligt erin dat de notaris of de registeraccountant de authenticiteit van deze gegevens heeft geverifieerd, waartoe de OK zelf niet in staat is.

De door Tennessee overgelegde notariële verklaring voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. De OK kan niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen of Tennessee ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in Ten Cate verschaft en evenzoveel stemrechten in de algemene vergadering van Ten Cate kan uitoefenen.

Lees hier mijn noot onder de uitspraak van de OK.

Ten Cate ECLI:NL:GHAMS:2016:3129

Certificering van aandelen en toestemming van de echtgenoot voor borgtocht

Bij certificering van aandelen is soms de vraag of de certificaathouder (de ondernemer) alleen of met zijn medebestuurder de ‘meerderheid van de aandelen’ in de bv houdt en als ondernemer heeft te gelden. Op 11 mei 2016 oordeelde de rechtbank Den Haag over een dergelijke geval (ECLI:NL:RBDHA:2016:5701). De zaak gaat over de vraag of de echtgenote toestemming in de zin van art. 1:88 BW moet verlenen voor een borgstelling die de ondernemer afgeeft. De ondernemer is bestuurder van de bv, maar heeft niet de volledige zeggenschap in het bestuur van de StAK die indirect de aandelen in de bv houdt. Meer in het bijzonder is de vraag of bij deze vennootschappelijke structuur (een combinatie van certificering en middellijk aandeelhouderschap) de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW opgaat. Het gaat er bij deze uitzondering (onder meer) om of sprake is van een bestuurder van een bv die alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt. De rechtbank oordeelt dat de uitzondering niet opgaat.

In mijn noot in JOR 2016/229 betoog ik dit oordeel niet juist is. Ik geef toe dat in deze casus sprake was van een minder eenvoudige certificeringsconstructie dan in het Abbink/SNS Bank-arrest het geval was. In het Abbink/SNS Bank-arrest (HR 8 oktober 2010, JOR 2010/367) beantwoordde de HR de vraag of de uitzondering van het toestemmingsvereiste ook geldt in geval van certificering van aandelen bevestigend. Heel ingewikkeld is de toegepaste vennootschappelijke structuur (een combinatie van certificering en middellijk aandeelhouderschap) in deze zaak echter ook niet. De rechtbank gaat eraan voorbij dat gedaagde indirect enig statutair bestuurder van de bv – en daarnaast zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder van de StAK – was en indirect voor 68% in het kapitaal van de bv voorzag. Anders gezegd, gedaagde is zo nauw verbonden met de onderneming dat hij in de praktijk als ondernemer heeft te gelden, doordat hij de zeggenschap uitoefent en financieel belang heeft bij de bedrijfsresultaten van de vennootschap ten behoeve waarvan hij zich als hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Toestemming van zijn echtgenote voor de borgtocht was dus niet vereist.

Lees hier mijn annotatie.

Aandeelhoudersovereenkomst en afstand doen van aandeelhoudersrechten

In WPNR 2016/7115 ga ik in op de vraag of aandeelhouders in een aandeelhoudersovereenkomst afstand kunnen doen van de (uitoefening van de) rechten verbonden aan het aandeel.

Ik onderscheid vier situaties:

(i) de aandeelhouder doet voor onbepaalde tijd afstand van de uitoefening van alle aan het aandeel verbonden rechten;

(ii) de aandeelhouder doet voor onbepaalde tijd afstand van de uitoefening van één of meerdere aan het aandeel verbonden rechten;

(iii) de aandeelhouder doet tijdelijk (voor een beperkte periode) en/of in een concrete situatie (bijvoorbeeld een concrete aanspraak of in een concreet geval van voorgenomen besluiten) afstand van de uitoefening van alle aan het aandeel verbonden rechten; en

(iv) de aandeelhouder doet tijdelijk (voor een beperkte periode) en/of in een concrete situatie (bijvoorbeeld een concrete aanspraak of in een concreet geval van voorgenomen besluiten) afstand van de uitoefening van één of meerdere aan het aandeel verbonden rechten.

In situaties (i) en (ii) is sprake van afstand van recht in abstracte zin, namelijk voor onbepaalde tijd. Dat is niet mogelijk.

Situatie (iv) – tijdelijk en/of concrete situatie, één of meerdere rechten – lijkt mij zonder meer mogelijk

Situatie (iii) is de meest lastige. Alles afwegende kom ik voor deze situatie tot de conclusie dat het niet mogelijk is dat de aandeelhouder tijdelijk en/of in een concrete situatie afstand doet van de uitoefening van alle aan zijn aandeel verbonden rechten.

Lees hier mijn bijdrage.

Het stemrechtloze aandeel met ‘slechts’ een recht op uitkering van het overschot na vereffening.

In het tijdschrift Ondernemingsrecht 2016/52 is mijn bijdrage ‘Het stemrechtloze aandeel met ‘slechts’ een recht op uitkering van het overschot na vereffening’ verschenen. In deze bijdrage betoog ik dat een stemrechtloos aandeel dat alleen recht geeft op uitkering van het overschot na vereffening als een aandeel moet worden beschouwd. Ik kom onder meer op grond van de parlementaire geschiedenis tot die conclusie. Ik stel voor art. 2:190 BW te wijzigen om onduidelijkheid op dit punt te vermijden. De voorgestelde wettekst luidt: “Rechten die stemrecht noch aanspraak op enige uitkering omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt.”

Mijn bijdrage is een reactie op de bijdrage “Slechts aanspraak op het liquidatie-overschot: onvoldoende om van een BV-aandeel te kunnen spreken?” in Ondernemingsrecht 2016/35 van Keijzer & In ’t Veld. Zij komen in die bijdrage tot de conclusie dat naar huidig BV-recht een recht dat louter deelt in het liquidatiesaldo en geen stemrecht omvat niet als aandeel kan gelden.

Mijn bijdrage wordt gevolgd door een naschrift van Keijzer & In ’t Veld.

Klik hier om mijn bijdrage te lezen.

Over Rogier Wolf

Rogier Wolf Rogier Wolf is advocaat en universitair docent ondernemingsrecht. Tot zijn expertise behoren de flex-bv en kapitaalparticipatie zonder stemrecht in de bv. Rogier adviseert onder andere over stemrechtloze aandelen, certificering van aandelen en participatiebewijzen. Hij is een veelgevraagd docent en spreker en publiceert zeer regelmatig over het ondernemingsrecht. Contact?

Rogier Wolf op Google Scholar
google scholar